Ouders van prematuren

Dagboek van Noah & Milla

10 maart 2011. Carmen was de dag voordien nog gaan werken. Ze was 26 weken en half zwanger van een tweeling. “Raar”, zei ze tegen haar collega’s, “ik heb wat krampen.” Maar echt ongerust was ze niet. Trouwens, de volgende dag had ze toch een afspraak bij haar gynaecoloog. Maar ’s nachts maakte ze haar vriend Edwin wakker. “Bel opa maar om op grote zus Pilar te letten. Ik heb een raar voorgevoel.” Om zeven uur ’s ochtends vertrokken ze naar het universitair ziekenhuis in Jette, vier uur vroeger dan gepland.

“Ik zie de gynaecoloog nog binnenkomen. Grappend: “Wat kom jij hier doen, het is nog te vroeg hé.” Vijf minuten later spurtte ze lijkbleek naar buiten. “Je hebt vijf centimeter ontsluiting. We kunnen er niets meer aan doen: de kinderen gaan geboren worden.”

De gynaecoloog had altijd verwacht dat Milla eerst zou geboren worden. Maar die ochtend lag Noah klaar in stuit. Hij was op één of andere manier in mijn buik over zijn zusje getuimeld en had besloten geboren te worden. Zij was totaal nog niet klaar. Ze hebben de kinderen met een keizersnede gehaald, ik was lokaal verdoofd. Eerst kwam Noah, daarna heeft het nog vier ellendig lange minuten geduurd voor Milla er was. Ze hebben haar uit mijn buik moeten trekken. “We zullen alles doen wat in onze macht ligt, maar we kunnen niets garanderen”, zeiden de artsen. Terwijl op de achtergrond andere baby’s huilden, drong in de ontwaakzaal langzaam tot mij door wat er gebeurd was. Pas vijf moeilijke uren na hun geboorte heb ik de kindjes voor het eerst gezien. Milla woog 1,012kg, Noah was 990 gram, en beiden waren 34cm groot.

Neonatologie. Piepkleine haast doorschijnende baby’tjes, foetusjes nog, vol kabeltjes in gesloten couveuses. “Ruimtescheepjes”, zeiden we tegen Pilar. Kleine hoopjes waarvan je nauwelijks beseft dat het kinderen zijn. Af en toe gaat er een alarm af. Voor ons al een bevreemdende wereld. Maar zo’n kleutertje van vier begrijpt helemaal niet wat er gebeurt. Grote zus was ook totaal onvoorbereid. ’s Avonds was ze gewoon gaan slapen en toe ze wakker werd, was opa er. Na school kwam ze meteen naar het ziekenhuis, met een mooie tekening voor broer. Ze had nog geen tijd gehad voor een tweede tekening. Later kreeg ze op de afdeling een broertje-en-zusjeskoffer. Een heel mooi initiatief van die afdeling. Er zat een popje in met elektrodes en een mutsje, een herinneringsschriftje en een boekje “Veel geluk Freddy” dat in kindertaal uitlegt wat er gebeurt. Dat boekje hebben we meer dan eens voorgelezen.

Noah deed het meteen relatief goed. Milla had het moeilijker. Na twee dagen kreeg ze een ernstige hersenbloeding. “De volgende tweeënzeventig uren zijn nu cruciaal”, zeiden de dokters. “Misschien redt ze het, misschien moet je je voorbereiden op het ergste”. Ik had Edwin nooit eerder zien huilen. Die tweeënzeventig uren duurden oneindig lang. We zaten daar maar naar die klok te staren. We hadden vroeger besloten dat we een kindje dat nauwelijks meer dan een plantje zou zijn, niet ten koste van alles in leven zouden houden. Maar toen was dat theorie. Ik had mijn kind zelfs nog niet mogen vasthouden. En toch had ik op dat moment zo’n onmogelijke beslissing niet kunnen nemen. Gelukkig was het ook niet nodig. Milla verbaasde iedereen. En ze blijft iedereen verbazen. Ze is op zesentwintig weken en vier dagen geboren, heeft een graad vier-hersenbloeding gehad, is al drie keer onder narcose geweest en is vandaag een heel alerte en actieve baby. Hoe ze verder zal ontwikkelen? Nu doet ze het supergoed, maar niemand kan in de toekomst kijken. We zullen altijd voorzichtiger met haar moeten zijn. Door die hersenbloeding heeft ze een pompje nodig dat via een kabeltje hersenvocht afvoert naar haar darmpjes. Dat drainagesysteem is ingeplant achter haar oortje. Er staan haar de komende jaren operaties te wachten om het te vervangen door een maatje groter. Er zijn volwassenen die perfect functioneren met zo’n systeem. Maar er bestaat altijd een risico op verstopping van het afzuigbuisjes. Dan moet ze meteen naar het ziekenhuis en opnieuw onder narcose. Dat is al een keer gebeurd. Met Milla blijven we iets meer zorgen hebben, maar ze blijft in goede richting evolueren en daar zijn we blij om.

Vijf dagen na hun onverwachte geboorte ging ik naar huis. Met lege handen. Die eerste weken waren verschrikkelijk. Zodra ik wakker werd, belde ik angstig het ziekenhuis. Zelfs al was het midden in de nacht. Mensen wisten lang niet of ze ons proficiat of sterkte moesten wensen. We hadden een vruchtbaarheidsbehandeling achter de rug en heel lang naar deze kindjes uitgekeken, maar we durfden zelf ook niet echt blij te zijn. Moesten we al geboortekaartjes sturen of nog afwachten? Mijn moeder zei: “Maar ze zijn er toch!” Na drie weken mochten we kangoeroeën en onze kinderen met kabeltjes en al vasthouden. De papa genoot daar enorm van, terwijl ik alert alle monitors in het oog bleef houden. Nog zo’n mijlpaal: de eerste keer dat ze kleedjes aankregen. Het body’tje in het allerkleinste maatje was bij Milla nog een oversized jurk, toch leek ze eindelijk een echte baby. Het kon een paar dagen goed gaan, maar dan gingen ze plots weer drie stappen achteruit. Noah kreeg een ziekenhuisinfectie en moest drie weken in quarantaine. Ondertussen probeerden we ook de grote zus genoeg aandacht te geven. Als Pilar bij ons was, wisselden Edwin en ik elkaar af in het ziekenhuis. Er zijn momenten geweest dat ik dacht: “Nu kan ik niet meer”. Maar een mens is sterker dan zij of hij zelf beseft.

De kinderen waren uitgerekend voor 10 juni, ze zijn op 7 juni naar huis gekomen. Al wekenlang keken we uit naar dat moment. Maar tegelijkertijd was ik ook wat bang. Zou het wel lukken? Veertien weken waren we dag en nacht omringd door enorm toegewijde verpleegkundigen, vrouwen en mannen waar ik veel respect voor heb. Bekwaam en attent. Met moederdag hadden ze zelfs voor alle mama’s een bloemetje gemaakt met een foto van hun kindje op. Elk kindje in die couveuses heeft zijn verhaal. Helaas loopt het niet altijd even goed af. We zijn enorm dankbaar dat we hen allebei in onze armen kunnen houden en dat ze het zo goed doen.”

-Bron: De Bond - 7 oktober 2011